Begrippenlijst

Hier vind je een begrippenlijst van de grondstoffen, producten en bewerkingen waar je mee te maken kunt krijgen bij het bakken.

We proberen deze woordenlijst steeds bij te werken en te verbeteren met de informatie die we kunnen bemachtigen.

Abricoteren: 

Abrikozenjam verwarmen en daarna zeven. Hiermee kun je een taart die bijvoorbeeld belegd is met vruchten, een mooi glanslaagje geven. Gebruik hiervoor een kwastje en strijk zo de taart in met de gelei.  Daardoor ziet de taart er mooier, glanzender uit, soms kun je er oneffenheidjes mee wegwerken. Ook blijft het fruit hierdoor wat langer mooi. Je kunt dit ook kant en klaar kopen, dan heet het afdekgelei.

Agar-agar:

Dit is een bindmiddel net als gelatine. Er zitten geen dierlijke eiwitten in en het is daarom zeer geschikt voor vegetariërs en veganisten. Het bindend vermogen is groter dan dat van gelatine.

Los Agar-agar op in heet water en laat het dan volledig afkoelen. Warm het dan opnieuw op als je het gaat gebruiken.

Wij kennen Agaragar in poedervorm, maar het bestaat kennelijk ook in flakevorm.

Agar-agar werkt minder goed met zure of vette ingrediënten, bij vruchten met eiwitafbrekende enzymen bevatten (papaja, kiwi, ananas), en bij chocolade en spinazie.

Decoratiesuiker:

Dit ie poedersuiker waaraan een laagje zetmeel is toegevoegd. Hierdoor smelt de decoratiesuiker niet, zoals gewone poedersuiker en blijft dus zichtbaar. Daardoor blijft het uiterlijk van je gebak mooier.

Eieren:

In de recepten gaan we eigenlijk altijd uit van eieren die 50 gram wegen. Dus twee eieren is dan 100 gram ei. Mochten je eieren groter of juist heel klein zijn, dan is het belangrijk dat je ze weegt en de juiste hoeveelheid wat aanpast.

Zorg dat eieren altijd op kamertemperatuur zijn als je ze verwerkt. Want bij gebruik van koude eieren kan je deeg gaan schiften door het grote temperatuursverschil.

Eiwitten:

Bij eiwitten gaan we uit van 30 gram per ei.  Ook hier is het vaak verstandig om de eiwitten te wegen om te kijken of je wel aan de juiste hoeveelheid komt.

Eiwitten kunnen worden ingevroren zodat je ze later nog kunt gebruiken voor een ander recept of baksel.

Eigeel: 

Een eigeel weegt standaard 20 gram. Ook deze kun je vaak beter even wegen, om te kijken of je aan de juiste hoeveelheid komt.

Glucose:

Glucose bestaat uit 80% suiker en 20% water. Maak je handen eerst even nat of maak de lepel die gebruikt mat als je de glucosestroop ergens aan toevoegt.

Maizena:

Uit mais gemaakt bindmiddel. Wordt ook wel maiszetmeel genoemd. Jegebruikt het om puddingen, sauzen en crèmes te binden. Voor de bereiding van deeg wordt het gemengd met bloem.

Slagroom:

Zorg dat je in je baksels gebruik maakt van slagroom met een minimaal vetgehalte van 35%. Anders wordt de slagroom vaak niet stijf genoeg. Verder is het handig om, een tijdje voordat je de slagroom gaat kloppen, de gardes even in de vriezer legt en de kom waarin je de slagroom gaat kloppen, even in de koelkast legt. Je zult zien dat de slagroom veel sneller stijf wordt en dus ook steviger wordt!

Ook kun je een zakje slagroomversteviger toevoegen en mee kloppen om de slagroom nòg wat steviger te maken.